Sluit [X]   
 

Fortcommandant Bloijs van Treslong in 1916: fortcommandant op Fort bij Spijkerboor

Donateur worden?

© 1999-2024, René G.A. Ros
Laatst gewijzigd 7-6-2024

De Stelling van Amsterdam - Gebruik

Tijdens de bouw zijn eerst de verdedigbare aardwerken en later de bomvrije gebouwen in gebruik genomen zodra deze per locatie gereed waren. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de forten en batterijen permanent bezet waren, de meeste manschappen die erin zouden dienen waren oproepbare dienstplichtigen.
In vredestijd waren de forten onbezet en in oorlogstijd zou ruim 12.000 manschappen de beveiligingsbezetting vormen. Zij bestond vooral uit de Landweer, oudere lichtingen dienstplichtigen, namelijk de Landweer Infanterie (LWI) met de bataljons 20, 22, 23, 24 en 25 van ieder vier compagnieën. Tevens het 2de Regiment Vesting Artillerie (RVgA) en het 2de Landweer Artillerie Regiment met ieder drie bataljons, van ieder vier compagnieën waarvan twee voor op de forten en twee voor de tussenbatterijen.
Na een doorbraak van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zou de beveiligingsbezetting versterkt worden met het teruggetrokken veldleger. In vredestijd was het meeste inventaris van de forten, met het veldgeschut, in de bergloods opgeslagen om het uit het vochtige fort te houden.

Inundatie truckage

Het Fort aan de Middenweg wanneer de Beemster-polder geïnundeerd zou zijn.
(Foto: © René Ros, 1999)

De forten hadden soms eigen zwaar geschut maar meestal alleen licht geschut omdat hun hoofdtaak het afsluiten van dichtbijgelegen toegangen (accessen) was. Bijvoorbeeld spoorwegen, wegen en diepere vaarwegen waarover de vijand makkelijker de Stelling kon naderen dan door de inundaties. De polders konden tussen 3 en 10 dagen met ongeveer 20-30 centimeter water bedekt worden, afhankelijk of zout of zoet water gebruikt werd (1903). Een paar decimeter water is te diep om te lopen en te rijden maar te ondiep om te varen. Bovendien waren diepere sloten en andere hindernissen (eventueel speciaal aangelegd) onzichtbaar. Maar niet elke polder is op alle plaatsen even diep en dat vereist aparte waterwerken of extra verdedigingswerken.
Om aan voldoende water te komen werden speciale kanalen en andere inundatiewerken ingericht. Zout water werd te schadelijk voor het land geacht dus bij voorkeur werd zoet water aangevoerd. Hiervoor en voor reservevoorzieningen was een waterhuishouding nodig die gevolgen had voor heel West-Nederland.

Verdediging

Een geïnundeerd gebied dat het een vijand onmogelijk maakt binnen te dringen is ook ongeschikt voor de verdediging om over te gaan tot een aanval. Maar de regering had de houding aangenomen om in geval van oorlog neutraal te blijven, een groot eigen leger was te duur. Dus moest men zich concentreren op een verdedigingsmacht en hopen en wachten op bijstand van grotere bondgenoten.

Toen de bouw eenmaal beëindigd was, bestond de Stelling uit een ring van 3 tot 5 km brede inundaties en 149 km omtrek met daarin 43 forten en batterijen. De cirkel van water lag (en ligt) ongeveer 15 tot 20 km vanaf het centrum van Amsterdam. Daardoor lag de stad op veilige afstand van vijandig geschut maar ook niet te ver voor goed transport en goede communicatie.

Schuilplaats

Soldaten in een betonnen, scherfvrij onderkomen.
(Foto: collectie Nationaal Militair Museum / Jaap de Zee, 1916)

Het grote voordeel van een inundatielinie is dat met relatief weinig mankracht een groot gebied verdedigd kon worden. De geïnundeerde terreinen vereisten een lichte verdediging en de zwakke plekken waren de accessen maar die konden met beperkte middelen eenvoudig verdedigd worden. Bovendien was het terrein voorbereid en naar de wensen van de verdediger ingericht.
De tactiek was gericht op het op afstand houden van de vijand en vervolgens voorkomen van stormaanvallen. De verdediger had het voordeel van het terrein en de forten. De aanvaller zou daardoor met een achterstand beginnen en proberen het tegenovergestelde doel te bereiken door terrein en forten te overwinnen.

De inundaties vormden de passieve verdediging. De actieve verdediging bestond onder andere uit de forten die op maximaal 3,5 km afstand van elkaar lagen. Hierdoor konden ze het tussenliggende terrein bestrijken en elkaar ondersteunen of zelfs een uitgevallen fort geheel opvangen. Echter, de echte actieve verdediging was het verrijdbare geschut. Weliswaar gestationeerd bij de forten, maar tijdens de verdediging kon het geschut in de beschutting van dijken en wallen tussen de forten geplaatst worden en vanaf verschillende batterijen de vijand beschieten. Hierdoor was het een effectieve, mobiele verdediging waarvan de locatie onbekend was voor de vijand, mede dankzij het rookloze buskruit.
Als verdediger ben je bekender met het geïnundeerde gebied dan de aanvaller en kan je er op varen. Zeker als de aanvaller het waterpeil van de inundaties verhoogd had. De verdediger zette dan uitleggers, gevorderde dekschuiten met geschut, in. Naast Fort bij Kudelstaart werd daarvoor een sluis gebouwd om de uitleggers van de Westeinderplassen naar het geïnundeerde gebied te brengen.

Als het gevroren heeft, verliest een inundatie gedeeltelijk haar waarde. Maar een ijsvlakte blijft een glad, vlak en open terrein waar de aanvaller goed zichtbaar is en waar hij geen loopgraven en schuttersputjes kan graven. Bovendien kan de verdediger met in haar bezit zijnde sluizen het waterpeil beïnvloeden en daarmee de sterkte van het ijs. De manschappen en zeker de kanonnen zijn dan al snel te zwaar.

In Nederland gold in die tijd de Kringenwet uit 1853 waarin werd bepaald wat er binnen bepaalde kringen rond een verdedigingswerk wel en niet gedaan mocht worden. Wat er in de kleine kring (300 m.), de middelbare kring (600 m.) en de grote kring (1000 m.) gebouwd mocht worden hing af van de klasse waartoe het vestingwerk behoorde. Maar in geval van oorlog kon alles binnen die kringen gesloopt worden om een vrij schootsveld te krijgen en de verdedigingswerken bruikbaar te houden. De Kringenwet is tot november 1963 van kracht gebleven.

Organisatie

Vanaf de oprichting was de Stelling verdeeld in vier sectoren en deze sectoren waren verder opgedeeld in groepen en tenslotte in vakken met daarin forten. Elk van deze instituten had in oorlogstijd een eigen commandant en staf.
Kort na de mobilisatie van 1914 werd een aparte Positie van IJmuiden opgericht om de bevelvoering aldaar te vereenvoudigen. Tijdens die mobilisatie kregen de Sector-commandanten steeds minder een tactische rol maar meer een territoriaal commandant zonder directe rol bij defensieve acties. Het uitschakelen van een bevelsniveau maakte het de Groepscommandanten eenvoudiger om samen te werken indien verschillende groepen werden aangevallen. Bovendien zou de Gemeente Amsterdam diverse randgemeenten annexeren en daardoor de gebieden sterk wijzigen. In 1919 of 1921 werden dan ook de Sectoren opgeheven waardoor de bevelsstructuur overeen zou komen met die van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Ook vereenvoudigde het de bevelvoering, verbeterde de bevelvoering tussen groepen en verminderde het benodigde personeel. De Positie van IJmuiden werd toen vergroot tot het gehele kustgebied van de Stelling en vormde een aparte groep. In 1921 werd het onderdeel van de kustverdediging.

Oefeningen

Er zijn diverse oefeningen bekend maar weinig over de inhoud ervan. Pas sinds 1875 werden jaarlijkse veldmanoeuvres gehouden. Na 1907 tweejaarlijkse veldmanoeuvres met in de tussenliggende jaren een vestingoefening. De meeste oefeningen, in de Stelling en elders, vonden tijdens de mobilisatie van 1914-1919 plaats.

De eerste bekende oefening vond in 1883 plaats in het deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie dat later tot de Stelling zou gaan behoren. Een oefening in 1894 vond daadwerkelijk in de Stelling plaats bij Fort bij Aalsmeer. Daarbij ging het om de mate van verdedigbaarheid van een aardwerk.
In de jaren 1897, 1898, 1900 en mogelijk ook eerder en later, vonden er oefeningen van de vesting-artillerie op Fort bij Abcoude plaats, mogelijk als eindoefening van de eerste opkomst van militieplichtigen van het 2e Regiment Vestingartillerie in de Oranje-Nassau Kazerne.
Het net voltooide Fort aan de St. Aagtendijk was in oktober 1899 het toneel van een oefening. Bij Aalsmeer vonden in 1899 en 1910 oefeningen met bewapende uitleggers plaats.

Alhoewel er ook in andere delen van de Stelling oefeningen moeten hebben plaatsgevonden is er vooral van oefeningen rond Haarlemmerliede (Fort benoorden Spaarndam, Fort bezuiden Spaarndam, Fort bij Penningsveer en Fort bij de Liebrug) informatie bekend. In 1902 vond een oefening van de vesting-artillerie in de groep Weesp plaats, in Muiden, Weesp en Fort Uitermeer.
In 1903 vond er van 15 tot en met 26 september een oefening met 1.700 manschappen. Onder andere op een terreinstrook ten westen van de Lage Dijk en ten noorden van de molen Slokop (welke tot 2010 aanwezig was) werden enkele tijdelijke werken aangelegd zoals deze ook tijdens een mobilisatie aangelegd zouden worden. Twee golfijzeren onderkomens en een batterij voor vier mortieren en een batterij voor 2 lichte vuurmonden. Zie de krantenartikelen over deze Fortmanoeuvres 1903.
Wederom werd vanaf 16 mei 1906 in hetzelfde gebied onder leiding van Majoor Luden (later Groepscommandant Luden?) een oefening met 600 manschappen gehouden. In dezelfde forten werden van 18 t.e.m. 23 juni 1906 de landweerplichtigen gelegerd.
Van 12 tot en met 17 oktober 1908 werd een oefening "in Amsterdam" gehouden maar hierover is ons niets bekend.

De oefening waar het meest over bekend is, werd in september 1912 gehouden en ging om een deel van de Stelling in de omgeving van Uithoorn. Deze oefening was er één in de reeks grote jaarlijkse, vanaf 1907 tweejaarlijkse, oefeningen die het Nederlandse leger op verschillende locaties hield.
Tijdens deze grootschalige manoeuvre werden Fort bij Aalsmeer, Fort bij Kudelstaart, Fort bij de Kwakel, Fort aan de Drecht en Fort bij Uithoorn op oorlogssterkte gebracht. Bij de laatste twee waren de bomvrije gebouwen resp. in 1911 en eerder dat jaar opgeleverd, de anderen waren rond de vijf tot acht jaar oud. Van de oefening is een uniek verslag uit het Algemeen Handelsblad bekend.

Van 18 t.e.m. 30 augustus 1913 oefende de Vestingartillerie in de omgeving van Fort bij Veldhuis, Fort aan Den Ham en Fort bij Krommeniedijk. De 2de en 4de compagnie van het 1e bataljon van het 2e regiment Vesting Artillerie werden in de forten ondergebracht, de eersten al op 4 juli.
In de Sector Ouderkerk, Groep De Nes werd van 5 tot en met 9 oktober 1915 een verder onbekende oefening gehouden. Een jaar later, van 19 tot en met 22 september 1916, vond een oefening plaats in de Groep Halfweg en delen van Groep Schiphol en Groep Westzaan (Sector Zaandam). Dit was blijkbaar een vrij omvangrijke oefening want zowel de infanterie, veldartillerie, motorboten en - voor het eerst - vliegtuigen en bommenwerpers van Vliegkamp Schiphol deden er aan mee.

In 1914 was er nog een oefening van 3 t.e.m. 8 augustus gepland op en rond de forten Vijfhuizen, Hoofddorp, Drecht en Uithoorn. Deze zal niet meer door zijn gegaan vanwege de mobilisatie op 1 augustus van dat jaar.

De oefeningen leverden veel leerstof voor de militairen op: slechte voorbereidingen, vertragingen door gebrek aan materialen en een verre van optimale bevelstructuur.

Vesting Holland

Al tijdens de Eerste Wereldoorlog was de techniek van oorlog voeren zo veranderd, dat de tactische waarde van een permanente stelling verminderd bleek. Bovendien was de wens dat een dergelijke oorlog nooit meer gevoerd zou worden, zodat er bezuinigd werd op defensie. Het principe van de Vestingwet 1874 om op grond van economische, politieke en militaire overwegingen vooral het belangrijkste deel van het land te verdedigen, bleef overeind. Als aanpassing aan de omstandigheden werd in 1922 één commando voor de gehele Vesting Holland ingesteld, waarin meerdere linies, soms afgeslankt, werden opgenomen.

Men besloot in 1921 om het idee van de Stelling van Amsterdam als een 'nationaal reduit' te laten vallen. De noordelijke helft van de Stelling werd het zogenoemde Noordfront van de Vesting Holland, en wel van Fort bij Edam tot en met Fort Zuidwijkermeer, inclusief de Kustbatterij bij Durgerdam. De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHWL) ging het Oostfront vormen en nam daarbij de groepen Abcoude en Weesp/Diemerbrug van de Stelling over, met onder andere het Fort aan het Pampus. Toch werden om onduidelijke redenen in de jaren 1930 nog kazematten bij Zijkanaal B en de Kazematten Slotertocht in respectievelijk het westen en zuiden van de Stelling gebouwd.

Het Zuidfront werd gevormd door de Stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet (Hoek van Holland, Brielle en Hellevoetsluis) en het Zuid-Hollandse deel van de Stelling van het Hollands Diep en het Volkerak (Willemstad). Hierdoor vormde de Merwede (vanaf Fort aan het Steurgat van de NHWL), het Hollands Diep en het Haringvliet een waterbarrière. Tenslotte vormde enkele kustforten, onder andere Fort bij IJmuiden, en bij mobilisatie infanterie-bewaking met schuilplaatsen de kustbewaking als zijnde het Westfront.

Oranje Nassau-kazerne

De achterzijde van de Oranje Nassau-kazerne.
(Foto: © René Ros, 1999)

Als onderdeel van de reorganisatie werden in 1922 een heleboel kantoren van het Departement van Oorlog, verspreidt door Amsterdam, verhuisd naar de Oranje-Nassau Kazerne. In het Algemeen Handelsblad van 10 januari 1922 wordt bericht dat het Bureau van de Stellingcommandant op zijn verzoek in het pand aan de Keizersgracht blijft. De Telegraaf van 5 juli 1922 bericht vervolgens: "commando in de Stelling van Amsterdam wordt als zoodanig tegen 1 september opgeheven". De Stellingcommandant, Kollewijn, gaat met pensioen.

Op dezelfde datum wordt de Vesting Holland opgericht waarin de Stelling van Amsterdam, Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van het Hollands Diep en 't Volkerak en de Stelling van de Monden der Maas en 't Haringvliet samensmelten. De Sector Ouderkerk viel (weer) onder het Oostfront, Groep Naarden met het groepshoofdkwartier in Hotel De Roskam te Weesp (1923). De overige sectoren vielen onder de Groep Alkmaar en Groep Haarlem van het Westfront. Elk front zou een frontcommandant krijgen, een vredesfunctie volgens het voorstel van de Chef van de Generale Staf in 1921.

In dezelfde tijd berichtte de kranten over brand en fraude in de Oranje-Nassau Kazerne en miljoenen kostende productiefouten en arbeidsonrust bij de Artillerie-Inrichtingen bij de Hembrug. Ook werd er soms een schot gelost op indringers, maar de kranten noemden ook het verhuizen van regimenten. Zo ging het 2e Regiment Vestingartillerie in 1922 van de Oranje-Nassau Kazerne naar Naarden om onderdeel te worden van het Korps Luchtdoelartillerie.

Ook de bewapening van de forten die een taak in het Noordfront kregen, werd aangepast en enigszins gemoderniseerd. De Stelling was immers geen kringstelling meer en het Noordfront moest zich kunnen verdedigen tegen aanvalsmiddelen die door een vijand aangevoerd konden worden via een haven. De enige haven ten noorden van het Noordfront was de "haven Nieuwe-Diep in Helder".

Als het voorstel is overgenomen, dan werd de bewapening grotendeels behouden, en zeker welke zich in de fortgebouwen op vaste affuiten bevonden. Wel werden de M'83 Christophe-Montigny en M'90 Gardner mitrailleurs vervangen door de recente M.18 Vickers, en in de reserve-bewapening geplaatst. De kanonnen 12cM Kort Achterlaad en 8cM Brons Kazemat (IJmuiden) gingen voor gebruikt bij schietoefeningen naar Legerplaats Oldebroek en andere locaties. De 9 cM kanonnen, 15 cM houwitsers en de Coehoornmortieren werden afgevoerd.

Voor de veiligheidsbezetting zou de infanterie voor de overblijvende groepen gelijk blijven (ca. 2.500), maar waren er wel wijzigingen voor de Vestingartillerie. Voorgesteld werden drie bataljons met 2.460 manschappen bij elkaar. Infanterie en artillerie gezamenlijk zou ongeveer 5.000 manschappen exclusief staven betreffen, een fractie van de 12.500 manschappen die in 1914 ingedeeld waren. Het is niet met zekerheid bekend of bovengenoemde bezetting wel is voorbereid.

In 1927 is het Noordfront opgeheven en ging een deel over naar het Westfront. Door deze wijziging bestond bij de aanvang de Tweede Wereldoorlog de Stelling organisatorisch niet, maar viel onder het commando van de Vesting Holland. Er waren in 1940 geen troepen ingedeeld voor het Noordfront. Mogelijk speelde de aanleg van de Afsluitdijk in 1932, met de kazematten bij Kornwerderzand en Den Oever, hier een rol in.

Zie thema-nieuwsbrief 'Opheffing van de Stelling van Amsterdam'.


De hele Stelling was bedoeld als afschrikking en voor gebruik tijdens een oorlogssituatie. Tegenwoordig zien we dat niet meer als een glorieuze rol als wanneer het wel betrokken was geweest bij gevechtshandelingen. Zie het hoofdstuk Oorlog over de oorlogen die van invloed op de Stelling waren of de rol die de Stelling daarin speelde.

Stelling van Amsterdam op Twitter Stelling van Amsterdam op Facebook Doc.centrum Stelling van Amsterdam op LinkedIn
Stelling van Amsterdam op foto-site Instagram Stelling van Amsterdam op video netwerk YouTube

Deze website wordt verzorgd door particuliere experts en is geen website van een overheid.
Alle rechten voorbehouden, o.a. gebruik door commerciële partijen alleen met voorafgaande toestemming.
Stelling van Amsterdam. Een stadsmuur van water.
UNESCO Werelderfgoed sinds 1996
FMTraining - Trainingen en cursussen voor gebruikers en ontwikkelaars van FileMaker (Advertentie)
 
 
 
ReneRos.biz voor ontwikkeling, advies & expertise en opleidingen voor Filemaker database-toepassingen. (Advertentie)