|
InleidingDeze nieuwsbrief bevat duidelijk gestructureerde artikelen, waarin de politieke ontwikkelingen uit de eerste jaren van de Stelling van Amsterdam uit de doeken worden gedaan. Waar gingen de discussies in 's-Gravenhage over? Wat was de reden dat het voorstel voor de Stelling werd weggestemd en het volgende jaar wel werd aangenomen? De originele, soms grootse, citaten van adellijken en hoge militairen helpen de sfeer van de vergaderingen te herbeleven. Het ging over belangrijke (lees: kostbare) beslissingen, maar verbaas je dat het toen ook al over details kon gaan. De artikelen zijn geïllustreerd met (gecontroleerde rechtenvrije!) oude beelden van het Binnenhof en portretfoto's van (besnorde) ministers en kamerleden, waarvan een aantal door een van de genoemde Kamerleden waren verzameld in een bewaard gebleven fotoalbum. Tip: houd de cursor boven de afbeeldingen om een beschrijving te lezen.
|
Tracébesluit Stelling van AmsterdamTekst en foto's: René Ros. Van een mens bepaalt de geboorte en overlijden duidelijk de begin- en eindpunten van de periode waarin iemand geleefd heeft. Ook het bestaan van een enkel gebouw is nog wel te doen, van eerste heipaal tot sloop. Maar je zegt niet dat een stad zoals Amsterdam gedurende 750 jaar is gebouwd, er wordt immers nog steeds gebouwd. Een waterlinie waarin eerst inundatiewerken en daarna verdedigingswerken zijn gebouwd, soms met tussenperioden van decennia, is nog lastiger. In deze nieuwsbrief zullen we laten zien waarom 1881 het beste jaartal voor de aanvang van de Stelling van Amsterdam is, aan de hand van de stukken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. En dit jaar dus 145 jaar geleden. Sommigen beschouwen de huidige Stelling als de voortzetting van de vanaf 1805 aangelegde Posten van Kraijenhoff. De locaties daarvan zijn echter maar op een paar locaties hergebruikt en volledig omgevormd (bv. Penningsveer) en soms bleef de vorm hetzelfde maar veranderde de functie (Batterijen aan het Gein). Bovendien zijn een aantal posten van Kraijenhoff eerder aangelegd in 1799, die weer in 1787 en die ook in 1672. Met die redenatie zou de Stelling 354 jaar oud zijn!? Bij elke stap kwam de verdediging op een steeds grotere afstand van de stad Amsterdam te liggen en uiteindelijk als een echte kringstelling. Je zou de Vestingwet van 18 april 1874 als begin van de Stelling van Amsterdam kunnen nemen, maar die wet geeft alleen maar het (formele) voornemen van de aanleg aan. In 1879 werd de commandant van het Tweede Artilleriecommandement luitenant-kolonel Cathérine Ising (1823-1894) tevens de Stellingcommandant. En in 1882 werd generaal-majoor Constantin List*1 (1842-1908) als eerste echte Stellingcommandant benoemd. Maar dat gaat over de organisatie en de personele bezetting (functie), en zegt weinig over het bouwwerk (vorm) zelf. Boek 1988In 1988 verscheen het boek 'De Stelling van Amsterdam' met als ondertitel 'Vestingwerken rond de hoofdstad 1880-1920'. Voor het bewustzijn over en het behoud van de Stelling is dit een ongelooflijk belangrijk boek geweest. Het was de eerste moderne publicatie over de Stelling, met gebruikmaking van archiefbronnen. Het boek noemde de Vestingwet 1874 en een besluit over het beheer van de gelden ervoor*2, maar bevat geen informatie over de Tweede Kamer discussies. Het boek was een goed eerste begin, maar verre van compleet omdat niet alle archiefbronnen geraadpleegd konden worden. Daardoor was niet alles bekend en er moeten aannames zijn gedaan, die later niet juist zijn gebleken. Mijn advies is al lang om het boek niet meer te raadplegen, maar als een verzamelobject te beschouwen. Wat natuurlijk niets afdoet van het werk van de schrijvers, die ook zullen begrijpen dat het boek geen eeuwigheidswaarde had. Blijkbaar is het jaar 1880 in de ondertitel sindsdien door iedereen overgenomen, maar is het volgens mij een van de aannames die niet kloppen. Rond het jaar 2000 bleek uit het boek 'Het Vaderland verdedigd 1874-1914' dat 1881 het 'geboortejaar' moet zijn geweest. Helaas blijft alles en iedereen '1880' gebruiken, maar wee je gebeente als je hun geboortejaar verkeerd hebt! Vergelijkingen maken met conceptie en geboorte blijven verder achterwege, maar het plan uit 1880 werd ingeslikt om het een jaar later opnieuw te proberen. Om meer informatie over de besluitvorming te vinden, werd een jaar geleden de boekuitgave van het proefschrift 'Het Vaderland verdedigd 1874-1914, Plannen en opvattingen over de verdediging van Nederland' uit 1992 van Wim Klinkert weer geraadpleegd. Die uitgave is geheel gebaseerd op archiefbronnen. Tijdens ons symposium over het 145-jarige bestaan van de Stelling verzorgde Klinkert een van de lezingen over de parlementaire behandeling. Voor deze nieuwsbrief is ook gebruik gemaakt van een aantal door hem gepresenteerde inzichten. Tijdens dat symposium onderschreef hij het jaartal van 1881 met "in december van dat jaar werd na talloze discussies het uiteindelijke tracé vastgesteld, het is nooit zo precies op het netvlies gekomen want er was veel geharrewar over. Maar het klopt wel". PrinsjesdagEerst moet ik een eigen fout herstellen, dat ik niet uit het boek van Klinkert kan hebben en een verkeerde conclusie en vereenvoudiging van mij moet zijn geweest. De voorstellen over de Stelling van de minister van Oorlog zijn niet precies op de Prinsjesdagen van 1880 en 1881 ingediend en zeker niet aangenomen. Terwijl ik wel nadrukkelijk Prinsjesdag had genoemd. In de nieuwsbrieven blijft dat staan, maar op de algemene pagina's van de website is dat enkele maanden geleden al gecorrigeerd. Ook zijn aanvullingen in de website aangebracht, naar aanleiding van de bevindingen genoemd in deze nieuwsbrief. Ik baal van elke fout die ik maak, dus excuus voor het door mij veroorzaakte misverstand.
De eerste zitting van de Staten-Generaal in 1814 was op de derde maandag in november en tussen 1815 en 1848 op de derde maandag in oktober. Vanaf 1849 vond de opening plaats op de derde maandag van september. In 1888 werd dat de derde dinsdag van september, zodat volksvertegenwoordigers die van ver kwamen niet op de rustdag Zondag hoefden te reizen. BegrotingDe begroting moest jaarlijks met een wet geregeld worden voor het volgende jaar, met onder andere het "hoofdstuk VIII der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1880 (Departement van Oorlog)". De begroting voor de voltooiïng van het Vestingstelsel werd apart daarvan behandeld*2, omdat de Tweede Kamer een grote controle over deze grote uitgaven wilde hebben. Koning Willem III, maar feitelijk de minister van Oorlog, diende daarvoor met een Koninklijke Boodschap een Ontwerp van Wet in, vaak met een Memorie van Toelichting. Van de vijf vergaderjaren die bekeken zijn, waren de wetsontwerpen tweemaal gedateerd op de vrijdag vóór de maandag van Prinsjesdag. En éénmaal op Prinsjesdag zelf. Vervolgens boog een Commissie van Rapporteurs, bestaande uit enkele Kamerleden, zich over het wetsvoorstel en publiceerde haar vragen en opmerkingen in een Voorlopig Verslag. De Minister van Oorlog antwoordde daar schriftelijk op met een Memorie van Beantwoording. Tenslotte werd eind december de begroting tijdens een zitting van de Tweede Kamer besproken en vastgesteld, waarvan de Handelingen*3 (notulen) werden gepubliceerd. Tijdens de zittingen tussen september en december kwam het vestingstelsel ook wel aan bod, maar meer algemeen of procedureel en weinig inhoudelijk. Het was al opgevallen dat contracten met aannemers redelijk vaak eind december waren ondertekend. Dat zal te maken hebben gehad met de vaststelling van de begroting. Voor contracten voor Amsterdam tussen 1874 en 1914 in het archief Ministerie van Oorlog Contracten is april de maand met de meeste contracten (118) en december de tweede (41). *1 Stellingcommandant List was in 1847 getrouwd met de zus van minister Reuther, zij waren dus 'behuwdbroeder' oftewel zwagers. Zij overleed al in 1849 tijdens een werkbezoek van Reuther aan een geschutgieterij in Zweden. Vestingwet 1874 (GEWIJZIGD, tekst van de wet m.b.t. de vestingbegroting toegevoegd.)
|
Tracé en eerste gelden voor eigenlijke stelling gevraagd (1880)Tekst: René Ros. In 1880 diende minister van Oorlog Reuther voor het eerst een vestingbegroting in met een bedrag voor een nieuwe, verbeterde Stelling van Amsterdam. De reacties van de Kamerleden verschilden en de uitslag van de stemming moet onzeker zijn geweest. De stukken geven tegelijk een goed beeld van het tracé, de onderbouwing en de functie van de Stelling. Op 17 september 1880 werd een wetsontwerp ingediend waarin dit onderartikel is opgenomen:
Voor de context is het waard te vermelden dat in het wetsontwerp uit 1880 ook de NHWL voorkwam met "Verbeteren van het fort Nieuwersluis" en "Maken van een werk bij Maarsseveen". In de Memorie van Toelichting op de vestingbegrooting voor het jaar 1879 stond over het Fort Nieuwersluis: "Voorts zij nog de aandacht gevestigd op de omstandigheid dat Nieuwersluis, ofschoon onder de werken der Nieuwe Hollandsche Waterlinie opgenomen en ook daartoe behoorende, mede deel uitmaakt van de werken der linie van Amsterdam." Voor de Stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet werd geld begroot voor het nieuwe Fort aan den Hoek van Holland. Evenals verbeteringen van de Stelling van het Hollands Diep en het Volkerak, met een nieuw pantserfort bij Willemsdorp (noordzijde Moerdijkbrug), waarvoor uiteindelijk nooit geld begroot zou worden. TracéMinister van Oorlog Reuther (zie foto) schreef over het tracé dat "De omvang, die de stelling van Amsterdam naar de meening van den ondergeteekende zal dienen te verkrijgen, is door hem in beginsel vastgesteld [...]. In hoofdzaak zal de verdedigingslijn loopen: OnderbouwingIn 1888 zou het tracé een kleine aanpassing krijgen en niet via Uitgeest, maar meer oostelijk via Krommeniedijk lopen. Maar verder is het bovenstaande tracé zoals we het heden ten dage nog aantreffen. Weliswaar met meer forten dan genoemd werden, maar wel op dat tracé. De keuze voor het tracé werd verklaard met:
De Commissie van Rapporteurs zag dat de eerste post van 250.000 gulden "een begin is van verbazend groote uitgaven". Met alleen een tracé en geen uitwerking van de plannen was het ze onduidelijk hoe uitgebreid of beperkt de minister de Stelling wilde gaan aanleggen. Dat vond de commissie onvoldoende en wilde meer informatie. Welk type forten? Wat te doen met de verdediging van de Zuiderzee? Een fort aan het Pampus was niet in het tracé voorzien en welke rol zou de Marine krijgen? Daarnaast vond men de Stelling niet zo noodzakelijk, dat door de slechte financiële situatie op uitstel werd aangedrongen. Bovendien vonden een aantal Kamerleden dat voor de Stelling meer manschappen nodig zouden zijn dan waarover men zou kunnen beschikken. De behandeling van nieuwe legerwetten zou daarom afgewacht moeten worden. FunctieIn zijn antwoord gaf de minister aan dat de uitgaven een belangrijk doel dienen: "het tot stand brengen van een centraal reduit, voor onze verdediging; van eene stelling waarin de strijd, nadat de overige verdedigingslinieën voor ons verloren zullen zijn gegaan, nog gedurende geruimen tijd en met kans op goed gevolg zal kunnen worden voortgezet; van eene stelling die alzoo met regt een laatst en duurzaam bolwerk voor onze onafhankelijkheid zal mogen heeten". Daarnaast vond de minister dat er in eerdere jaren al veel onderzoek was gedaan naar de eisen en middelen. En in de toekomst konden nieuwe inzichten altijd nog tot andere keuzes leiden. Hij zag geen redenen, om niet te beginnen met de aanleg. Met het terugtrekken van troepen op de Stelling zouden voldoende manschappen beschikbaar moeten zijn om "tot den laatsten man voor het behoud der hoofdstad haar pligt te doen". Tijdens de vergadering van 21 december 1880 gaf de minister nog aan dat hij de eerste post voor de Stelling heeft uitgetrokken om de voortgang te bevorderen, en hij liet de keuze aan de Kamer. Die Kamer stemde over het amendement om de eerste post voor "de eigenlijke stelling" te laten vervallen met 75 stemmen voor en 5 tegen. Door het amendement aan te nemen, verviel de eerste post van 250.000 gulden en kon de bouw van de Stelling niet beginnen. Fort bij IJmuiden
|
Eerste gelden en gehele stelling aangenomen (1881)Tekst: René Ros. De minister probeerde in 1881 opnieuw de eerste gelden voor de Stelling in de begroting te krijgen. Maar de verdeeldheid in de Tweede Kamer was hetzelfde en er waren verschillende inzichten en wensen om aan die inzichten te voldoen. Waarbij de levende strijdkrachten ook een rol speelden. Daarvoor beloofde de minister een apart wetsvoorstel te zullen indienen.
De minister was ook tevreden met zichzelf omdat "thans een volledig algemeen plan voor de werken der stelling van Amsterdam vastgesteld en begroot is" wat de Kamer vorig jaar mistte. Het tracé bleef hetzelfde als in 1880 was omschreven. Voor de forten voorzag de minister een eenvoudige vorm, in de keel gesloten en door een brede natte gracht omgeven. Waarop opstellingen voor geschut met bomvrije bergingen voor geschut of munitie maar ook "bomvrij logies [...] voor eene voldoende bezetting aan infanterie en artillerie". De Commissie van Rapporteurs was ook blij dat er nu een volledig algemeen plan was. Ze wenste wel graag alsnog een goede kaart met inundaties te ontvangen, liefst vóór de behandeling van de begroting. Ook wilde men meer informatie over de forten, omdat men uit de Memorie van Toelichting begreep dat ze niet van flankementsgeschut (zijwaarts) of een reduit zouden worden voorzien. In de Memorie van Beantwoording stelde de minister een belangrijk punt: "Door den thans aangevraagden post van f400 000 toe testaan, zal de Kamer zich in zoover binden voor de geraamde som van f11 000 000, als zij daarmede aan de plannen van den ondergeteekende, omtrent de inrigting der stelling van Amsterdam, indirect hare goedkeuring schenkt, en hem in staat stelt, daaraan een begin van uitvoering te geven." Hij maakte daarmee duidelijk, dat aanname van de begrotingspost het startpunt voor de Stelling zou zijn. Een duidelijker startpunt voor de bouw kunnen we niet krijgen, maar de Kamer moest er dan wel mee instemmen.
Kamerlid Arthur Kool (1841-1914, zie foto), een officier, pareert: "met het zwakker zijn van de levende strijdkrachten binnen zekere grenzen, gelegen in de mogelijkheid van bezetting, de doode strijdmiddelen in compensatie moeten komen van het gemis aan levende krachten tot afdoend voeren der verdediging des lands." Er waren meer sprekers die het daarmee oneens dan eens waren. Kamerlid Otto baron van Wassenaer Catwijck (1823-1887, zie foto) meende dat afvoeren van de post "zou zijn tegen de [Vesting]wet en tegen het belang van het vaderland". De minister was het niet eens met enkele Kamerleden, om te wachten op nieuwe wettelijke regelingen voor de militie en de schutterijen. Aan zowel de dode als levende weermiddelen moest volgens hem tegelijk gewerkt worden. Bovendien zouden op de Stelling terugtrekkende troepen haar versterken om "de laatste strijd, de strijd op leven en dood voor onze zelfstandigheid moeten plaats hebben". Verder uitstel vond de minister niet verantwoord. Het amendement van Van Dedem werd verworpen met 50 stemmen tegen en 25 stemmen voor. Door het verwerpen ervan kwamen dus wél de eerste gelden voor de Stelling op de begroting. Het was Reuther precies een jaar later gelukt om goedkeuring voor het tracé en de 400.000 gulden te krijgen, en daarmee uiteindelijk de gehele aanleg. Een echt geboortemoment tijdens de avondzitting der Tweede Kamer van 21 december 1881 en dat kunnen we eigenlijk ook heel 2027 nog vieren. De minister en de voorstemmers konden met een gevoel iets bereikt te hebben op kerstreces.
De verdediging van de Zuiderzee was ook dit jaar een onderwerp van gesprek en de minister wilde alleen kustbatterijen op de oevers bouwen en zag een rol voor de Marine. Hij stelde dat "zoo lang het koepelfort op de Harssens [bij Den Helder] niet bezweken is, onze marine onbeperkt meester zal zijn op de Zuiderzee". Héé, Fort op de Harssens had een taak in de Stelling, maar het zou toch gek zijn om haar als onderdeel daarvan te beschouwen!? Kamerlid Jan Willem Hendrik Rutgers van Rozenburg (1830-1902) was een warm pleitbezorger voor een goede verdediging van het westen en oosten van de Stelling: IJmuiden en Muiden. Ook grondafschuivingen op bijvoorbeeld de batterijen bij Dalem en Poederoijen (beide NHWL) hadden de aandacht van de Kamerleden, de herstelwerkzaamheden kostte immers meer geld dan begroot. Daartegenover wilde men eigenlijk wel geld uitgeven aan verdedigingswerken bij de inlaatsluizen bij Wijk bij Duurstede en Tiel voor de NHWL. De minister was daar geen voorstander van, aangezien die werken alleen tijdens het inunderen gebruikt zouden worden. Fort bij IJmuiden
|
Meer gelden voor daadwerkelijke aanleg (1882)Tekst: René Ros. De begrote bedragen werden uitgegeven en de aanleg van de Stelling was direct begonnen. Wanneer kwamen de eerste posten voor de forten? En de discussie was daarmee niet beëindigd. Wat speelde er in die eerste jaren nog meer voor het vestingstelsel? In 1882 werden al meer posten voor de Stelling in het wetsontwerp voor de begroting van 1883 gezet. En wel voor een totaalbedrag van 1.400.000 gulden, een toename van 1 miljoen gulden ten opzichte van het jaar ervoor. Fort bij IJmuiden stond er nog in, voor de grondwerken. En "De eigenlijke stelling" noemde nu het maken van het Fort bij Abcoude en het Fort bij Velsen, allebei nog "een werk" genoemd.
Uit het Voorlopig Verslag van de Commissie van Rapporteurs blijkt dat een aantal Kamerleden het hele vestingstelsel wilde beperken tot alleen de Stelling en dit standpunt was volgens hen vorig jaar onvoldoende aan bod gekomen. Dus de NHWL en andere linies afdanken en alle krachten inzetten voor de Stelling, zoals België had gekozen voor haar Stelling van Antwerpen als Nationaal Reduit. Een andere groep Kamerleden wilde het vestingstelsel juist tot de NHWL beperken en de Stelling pas in oorlogstijd bouwen. Tegenstanders beriepen zich op de Vestingwet, dat na veel onderzoek tot stand was gekomen. Een vergelijking met België vonden zij ook niet zo goed opgaan en ons samenhangende vestingstelsel toch beter. En dan staat er: "het geheel onzer hoofdverdedigingslinien beschouwd kon worden als eene reusachtige vesting, welke ons in tegenstelling der positie Antwerpen het voordeel opleverde van 2/5 der bevolking, en de voornaamste bronnen van vertier, welvaart en hulpmiddelen aan vijandelijke overweldiging te onttrekken". Serieus? De "bronnen van vertier" zoals de Koninklijke Schouwburg, Theater Carré en het Rijksmuseum waren een reden voor ons vestingstelsel? Dit biedt nieuwe kansen voor de marketing!
In de Handelingen werd door generaal Pierre Guillaume Jean van der Schrieck (1812-1896), "de geachte afgevaardigde uit Den Bosch", gewezen op proeven met 21 cm. mortieren vanwege de toekomstbestendigheid van de forten. En de toekomstige zeer grote financiële aanpassingen die dan nodig zouden zijn. De eerder genoemde heer Kool, idem uit Arnhem, kon zich daar wel in vinden en "wij er reeds nu in waarheid op kunnen rekenen dat in de toekomst verbeteringen in de ontworpen forten zullen moeten plaats grijpen. Welke die zullen zijn, is op dit oogenblik nog niet met zekerheid te zeggen". Beiden waren officier. Kortzichtig waren ze dus niet, maar ook zij konden de toekomst niet voorspellen. Terwijl wij weten hoe het is afgelopen. Minister Reuther begreep de opmerkingen maar "indien men wilde wachten tot het einde van alle uitvindingen, men eeuwigdurend zou moeten uitstellen". Een tijdloze uitspraak, aangezien het nu nog geldt voor nieuwe modellen computers, telefoons en auto's die nog gaan komen. Ook het wetsontwerp voor de vestingbegroting voor 1883 werd aangenomen, met 57 tegen 9 stemmen. Er was dan wel veel discussie, maar de besluiten werden behoorlijk eensgezing aangenomen. Fort bij IJmuiden
|
De eigenlijke stelling en het Fort Pampus (1883)Tekst: René Ros. Als laatste kijken we naar het jaar 1883 voor de begroting van 1884. We gaan niet alle begrotingen tot en met 1938 uitpluizen, maar de stukken uit 1882 en 1883 geven een mooi (politiek) beeld van de eerste begrotingsposten en de bouw van de Stelling. De bouw kwam langzaam op stoom en steeds meer vestingwerken werden in de begrotingen genoemd. Het wetsvoorstel voor 1884 bevatte het artikel "Tweede gelden voor bouw van forten aan stelling van Amsterdam" met grotendeels een herhaling van vorig jaar, maar weer een extra punt. Dus onder Fort bij Abcoude en Fort bij Velsen werd nu ook "Voortzetting van het verbeteren der linie van Spaarndam en der positie aan de Liede" vermeld. Het totale bedrag van 760.000 gulden was wat lager dan het voorgaande jaar, maar is wat gedaan en uitgegeven kon worden. Het grootste verschil met vorig jaar was, dat er een nieuwe minister van Oorlog was aangetreden: August Wilhelm Philip Weitzel (1816-1896) nam het ambt over op 23 april 1883, tot 21 april 1888.
Over de waterige oostzijde van de Stelling wilde hij nog geen beslissing nemen en wachtte de conclusies af van een commissie die zich boog over de samenwerking van land- en zeemacht bij de verdediging ervan. Mocht hij beslissen tot de aanleg van "een fort op Pampus" dan zou dat soortgelijk aan het Fort op de Harssens bij Den Helder moeten zijn, waarvan de bouw op dat moment werd uitgevoerd. Uit de handelingen is over wel of geen Fort aan het Pampus een interessante discussie tussen Kamerlid Rutgers van Rozenburg (zie foto) en minister Weitzel te halen: "De heer Weitzel, Minister van Oorlog: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb van den geachten spreker uit Amsterdam, den heer Rutgers van Rozenburg, zeer pessimistische beschouwingen en conclusiën moeten hooren. Het is alsof de opening van de Zuiderzeezijde in de reduitstelling van Amsterdam, geheel onverdedigbaar ware. Maar hiervan is immers in de verste verte geene sprake! Van iederen Minister van Oorlog zal men het, in de eerstvolgende jaren, alleszins natuurlijk vinden, dat hij zich twee-, driemaal bedenkt, eer hij er toe besluit forten te bouwen, die ieder 2½ millioen kosten. [...] Ik heb gezegd een advies te willen afwachten dat binnen eenigen tijd aan de Regeering zal worden uitgebracht."
Interessante man, die Rutgers van Rozenburg, die tegen de stroom in streed voor wat hij belangrijk vond. Parlement.com beschrijft hem als "welsprekend, scherp en soms zelfs sarcastisch Amsterdams Kamerlid". Tot slot nog iets opmerkelijks in de categorie 'andere vestingwerken'. Op Fort Nieuwersluis (NHWL) waren grondverzakkingen aan de westelijke zijde van de bomvrije kazerne opgetreden. De oorzaak had men nog niet kunnen achterhalen, en mogelijk zou de gronddekking weggegraven moeten worden voor extra voorzieningen. Als mogelijkheid noemde men "eene zoogenaamde verlengde fundeering kunnen worden in overweging genomen, als onder anderen bij het bomvrije gebouw in de batterij onder Poederoijen [(NHWL)] met gunstig gevolg in toepassing is gebracht". Een extra fundering onder de gronddekking om verzakkingen te voorkomen. Zou bij een restauratie al eens zo'n normaal onzichtbere fundering aangetroffen zijn? In 1887 kreeg de bouw van Fort aan het Pampus parlementaire goedkeuring en in 1888 de Liniewal Haarlemmermeerpolder. Onder Weitzel werd ook besloten geen tweede linie aan te leggen, wat een echt hergebruik van de Posten van Kraijenhoff zou hebben betekend.
Tot zover over de begindatum van het bouwwerk 'Stelling van Amsterdam'. Heeft het ook een einddatum? Nee, niet als bouwwerk omdat het nog bestaat, gebruikt en gebouwd wordt. In een bepaalde periode werden forten op topografische kaarten gemarkeerd met de tekst "voormalig fort" en dat is vreemd omdat dat over de functie gaat. Ook de Stelling is niet 'voormalig', het leeft en wekt nog steeds nieuwsgierigheid op. Met dank aan de politici van destijds, die een heel ander doel voor ogen hadden, kunnen wij in vrede weer een nieuw seizoen op, in en tussen de forten beleven. Veel plezier! Maar denk af en toe ook aan bijvoorbeeld Reuther, Weitzel, Van Dedem en - vooral op het Fort aan de Pampus - aan Rutgers van Rozenburg. N.B. Als beloning voor de lezers die tot het eind zijn gekomen, een leuke clou: de luchtfoto van het Binnenhof in het eerste artikel, is echt (zelf) gemaakt in Den Haag. Maar in Madurodam! Fort bij IJmuiden
|
|
Vond je een nieuwsbrief interessant? Maar ben je nog geen abonnee? Abonneer je dan op de Abonneren pagina om toekomstige nieuwsbrieven te ontvangen! Deze nieuwsbrief is een uitgave van het Documentatiecentrum Stelling van Amsterdam. Abonnementen kunnen in uitzonderlijke situaties zonder informeren en/of zonder opgaaf van redenen geweigerd of beëindigd worden. De redacteurs en auteurs aanvaarden geen aansprakelijkheid, op welke wijze ontstaan, door het gebruik van de inhoud van de website, nieuwsbrief of andere publicatie, door welke persoon en voor welk doel dan ook. Wij hebben ons best gedaan om alle rechthebbenden op deze website / nieuwsbrief te achterhalen. Eenieder die meent dat zijn/haar materiaal zonder voorafgaande toestemming hier is gebruikt, verzoeken wij om zich tot ons te wenden. Bij gebruik als bron voor publicaties en andere uitingen is bronvermelding verplicht en tevens wordt deskundige begeleiding, door bijvoorbeeld de redacteur of auteur, aanbevolen. In de nieuwsbrieven weergegeven meningen zijn een deel van een column of strikt persoonlijk tenzij expliciet anders is aangegeven. 'Majoor Van Hall' en 'Soldaat Troelstra' zijn fictieve militairen uit het verleden die dienen als pseudoniemen voor verschillende personen. Genoemde activiteiten zoals rondleidingen worden mogelijk door andere partijen georganiseerd en de verantwoordelijkheid voor inhoud, uitvoering e.d. ligt geheel bij de betreffende partij. De inhoud van een nieuwsbrief wordt na publicatie niet meer gewijzigd en kan later onjuist zijn gebleken of niet meer van toepassing zijn. De auteursrechten berusten bij René G.A. Ros tenzij anders is aangegeven. |
