Nederland had als klein land geen andere keus dan een neutraliteitspolitiek te volgen hetgeen in 1839 met een internationaal verdrag was erkend. Een Nederlands gemobiliseerd oorlogsleger was kleiner dan het Pruisische/Duitse vredesleger waarmee we bovendien een grens deelden. De andere grootmachten Frankrijk en Engeland waren van ons gescheiden door respectievelijk België en de Noordzee. En Nederland was zo klein dat een vijand het halve land al onder de voet had gelopen voordat de mobilisatie voltooid zou zijn. Bovendien dacht de Nederlandse regering dat zij aan de riviermondingen, midden tussen de drie grootmachten uitermate strategisch lag en dat geen van hen het goed zou vinden dat een van de andere Nederland bezette.
Welbeschouwd realiseerde Nederland zo een deel van de verdediging van alle drie de grootmachten. Maar wel moest heel strikt naar alle kanten verdedigd worden. Zouden we de kustverdediging tegen de Engelsen veronachtzamen, dan was dat wellicht voor de Duitsers een reden Nederland de bezetten.
Viel een van de grootmachten Nederland binnen, dan werd aangenomen dat hun tegenstander een bondgenoot van Nederland zou worden. Of de hulp van die bondgenoot geaccepteerd zou worden was geen uitgemaakte zaak. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Opperbevelhebber Land- en Zeemacht generaal C.J. Snijders van mening wel bondgenootschappelijke hulp te aanvaarden terwijl het extra-parlementaire kabinet van Cort van der Linden een consequente neutraliteit wenstte aan te houden.
Die neutraliteit moest dan wel daadkrachtig gehandhaafd worden en daarvoor werden verschillende linies aangelegd en de dienstplicht aangepast. Binnen het systeem van verdedigingslinies werd als Nationaal Reduit de Stelling van Amsterdam aangelegd en ook die was ingericht om zich naar alle zijden te kunnen verdedigen. In afwachting van een bondgenoot, de tegenstander van de aanvallende partij. Zolang de Nederlandse vlag in de hoofdstad zou wapperen, had die bondgenoot nog een reden om te hulp te komen. Het is onwaarschijnlijk dat dat er ook maar één Nederlander echt wilde dat de Stelling en andere linies gebruikt zouden worden. Het was een soort landsverzekering voor vrede. (Zie ook Politieke betekenis van Amsterdam.)
Er zijn drie oorlogen geweest die in verschillende mate van invloed zijn geweest op de Stelling. Namelijk de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal omdat het een voldoende modern leger had om de neutraliteit kracht bij te zetten. En de grootmachten hadden voordeel bij een neutraal Nederland.
Alhoewel sommige delen van de Stelling slechts provisorisch werden afgemaakt, kwam de Stelling in 1920 gereed. De Stelling was echter al in gebruik en tijdens de mobilisatie zijn de troepen ook daadwerkelijk in de forten gelegerd geweest. Van inundatie is geen sprake geweest.
Hoewel Duitse spionnen in 1903 onder de indruk van de Stelling waren, ondanks de slechte organisatie en versterkingen, is het onduidelijk of Nederland neutraal is gebleven dankzij de Stelling en de andere inundatielinies. "Harer Majesteit Gezant te Rome" had in december 1914 een gesprek met de Duitse militair-attaché aldaar, waarover hij in een bericht rapporteerde dat de Duitsers aannamen dat door de bodemgesteldheid en inundaties het niet interessant voor de Engelsen zou zijn om via Nederland het Duitse Oost-Friesland binnen te vallen. Daarom zagen de Duitsers af van een eigen inval in Nederland.
En de voormalig militair attaché Ch. à Court schreef in 1917 aan de Britse chef van de Generale Staf veldmaarschalk W. Robertson:
| "... keep out of Low Country Fighting. (...) You can fight in mountains and deserts, but no one can fight in mud and when the water is let out against you, at the best, you are restricted to the narrow fronts on the higher ground, which are very unfavourable with modern weapons." | "...vermijdt vechten in de Lage Landen. (...) Je kan in bergen en woestijnen vechten, maar niemand kan in modder vechten. En als het water tegen je wordt gebruikt dan ben je, als het meevalt, beperkt tot smalle fronten op de hogere gronden, welke voor moderne wapens zeer ongeschikt zijn." |
De reden dat de neutraliteit door alle oorlogvoerende partijen gerespecteerd werd zal meerdere oorzaken gehad hebben. Beide partijen hadden er belang bij dat neutrale landen zoals Nederland gebruikt konden worden als doorvoerhaven om de economische blokkade te omzeilen. Dat goldt vooral voor de Duitsers die te maken hadden met een Engelse zeeblokkade.
Een groot voordeel was dat ze zelf het grondgebied niet hoefden te veroveren om er zeker van te zijn dat de vijand het niet zou bezetten.
|
| Groepsfoto van de bezetting van Fort bij Nigtevecht tijdens de mobilisatie. (Foto: collectie Legermuseum, Delft / Jaap de Zee, 1916) |
Al per 1 juli 1913 was de Vestingartillerie op een zestal forten bij het Noordzeekanaal gelegerd. Maar op 31 juli 1914 werd de algehele mobilisatie afgekondigd en kwamen de dienstplichtige militairen terecht in de forten van de Stelling. Op 2 augustus waren alle troepen gelegerd in de forten en enkele dagen later was de 'verdedigingsbezetting' van 10.000 soldaten gevechtsklaar waarvan 7.500 in de forten.
Op 14 augustus werd besloten tot "het in batterij brengen van de geheele veiligheidsbewapening, met uitzondering van het Noorderfront van Markenbinnen tot de Zuiderzee".
De feitelijke infanterie voor de verdediging van de Stelling zou bestaan uit troepen uit de buiten-provincies en van terugtrekkende troepen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vanwege de tekorten in het leger zijn de gemobiliseerde militairen begonnen met het verzenden van overcomplete goederen zoals karabijnen, sabels en munitie naar andere legeronderdelen. Later verdwijnen zware mitrailleurs (1915), 6 cm kazematgeschut (1916) en 7 cm groot-flankementgeschut (1917) naar het veldleger en de luchtverdediging.
Op enkele plaatsen worden nieuwe schuilplaatsen aangelegd, zoals in de Positie van Spaarndam, de voorstellingen van Fort bij Vijfhuizen en enkele extra kustbatterijen bij Fort bij IJmuiden. Ook de luchtalarmposten zijn bemand en moeten waarschuwen voor vijandelijke vliegtuigen.
In augustus 1914 werd een uitvoerverbod op brandstoffen, levensmiddelen en verplegingsmiddelen van kracht. Goederen zoals steenkool, benzine, tarwe, haver en zout mochten het gebied van de Stelling niet verlaten. Later dat jaar, in november, werd de Staat van Beleg in een aantal gemeenten, vooral ten zuiden van Amsterdam, afgekondigd: Velsen, Amsterdam (gedeeltelijk), Zaandam (gedeeltelijk), Muiden, Nieuwer- en Ouder-Amstel. Ook was de pers onder militaire censuur geplaatst.
Onder Duitse druk werd in 1916 de westzijde van de Stelling versterkt om een Engelse landing te voorkomen. Ook elders in de Stelling werden nog verbeteringen aangebracht, of was het tegen de verveling?
|
| Overstroomd gebied bij Broek in Waterland. (Foto: collectie Legermuseum, Delft , 1916) |
Op 29 maart 1916 gaat de landweer op onbeperkt klein verlof en later ook een deel van de vesting artillerie. De ontwikkelingen van de oorlog maken de kans klein dat Nederland nog bij de oorlog betrokken raakt. Per fort blijven er nog enkele tientallen soldaten achter voor het onderhoud en de bewaking.
De Belgische forten hadden in augustus 1914 wel met de oorlog te maken gekregen. Door de superieure Duitse artillerie waren de forten van de Stelling van Luik - welke geen inundaties had - na acht dagen gevallen. De inrichting van de forten liet veel te wensen over. De Nederlandse legerleiding maakte zich ook geen illusies over de eigen forten met verouderde typen geschut en ontbrekende voorraden.
In januari 1917 breekt de Zuiderzeedijk bij Monnickendam door en veroorzaakt een overstromingsramp in Waterland waarbij op Marken 16 mensen het leven verloren. De Commissie Verplegingsmiddelen (verpleging = verzorging) wordt ingeschakeld bij de evacuatie en militairen helpen met de redding en de herstelwerkzaamheden. Militaire schepen worden uit geheel Nederland aangevoerd.
Na vier jaar mobilisatie waren de soldaten het eten, de donkere en vochtige huisvesting, de kleding, kortom hun soldatenleven zat; ondanks de lange verloven, oefeningen, hobbyclubs en ontspanningscommissies. Er braken zelfs rellen uit in enkele kampen. Het revolutionaire deel van de bevolking had andere redenen voor onrust en poogde het kruithuis bij Halfweg op te blazen en een demonstratieve mars bij de Kavalleriekazerne liep uit de hand. Gevangenen in het Fort aan de Nekkerweg kwamen in opstand omdat ze dachten dat de revolutie al was uitgebroken.
Twee jaar nadat in 1918 verklaard was dat er nooit meer oorlog in Europa zou zijn, werd de Stelling als gereed beschouwd. Bovendien deed het gevechtsvliegtuig en het lange afstandsgeschut zijn intrede. Dit vormde het einde, of op zijn minst een bedreiging, voor een permanente stelling waar men er op vertrouwde dat water de vijand op afstand zou houden. Maar zelfs in de Golfoorlog van 1991 bleek dat met een luchtoorlog alleen geen oorlog te winnen is en dat het op het land 'afgemaakt' zal moeten worden. Maar toch, veilig was het niet meer in de Stelling.
Als praktische voorbeelden van de veroudering van een stelling golden de stellingen van Luik en Antwerpen, weliswaar zonder inundaties, welke in 1914 met weinig moeite door houwitsers in puin geschoten zijn. De forten rond Boekarest (Roemenië) waren wel succesvol maar bondgenoten kwamen niet opdagen als de reddende engel. En ook de Stelling van Amsterdam zou rekenen op buitenlandse bondgenoten!
Dienstplichtige paarden Naast de mobilisatie van soldaten werden ook paarden gevorderd. In eerste instantie werden rij- en luxetuigpaarden geregistreerd door de Directeur van het Remontewezen. Verkoop mocht pas na toestemming en overlijden of slacht moest zo spoedig mogelijk gemeld worden, op straffe van tweeduizend gulden boete. |
Publieke vrouwen Een militair maakt op 25 september 1916 schriftelijk melding van een staatsgevaarlijk gebeuren. |
Kat op het spek Een Duitser kwam naar hier en liet zich naturaliseren. ... Maar de Duitse Hollander ging terug naar z'n Heimat en dacht niet meer aan die hele naturalisatie. Z'n kinderen groeiden in Duitsland op en de kinderen van die kinderen waren juist volwassen toen de oorlog van 1914 uitbrak. |
Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de Meidagen van 1940, viel het Duitse leger Nederland wél binnen. In vergelijking met de Eerste Wereldoorlog was het militaire belang van Nederland (m.n. voor het luchtwapen) toegenomen, de statische verdediging was verbeterd in Frankrijk (Maginot-linie) en België (o.a. Fort Eben-Emael) en het vermogen van Nederland om haar neutraliteit te verdedigen werd onvoldoende geacht. De bewapening en versterkingen waren gering en de manschappen slecht geoefend. Door een te kleine eigen wapenindustrie en te late bestellingen in het buitenland bezat Nederland bijvoorbeeld weinig vliegtuigen en luchtafweergeschut.
De capitulatie werd eerder uitgeroepen dan dat de Duitsers bij de Stelling aankwamen. Bovendien was de Stelling al van minder belang geworden. Het deel ten noorden van het Noordzeekanaal vormde het Noordfront van de Vesting Holland. De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde het Oostfront en het Zuidfront waren de grote rivieren bij Dordrecht en de Biesbosch.
Veel geschut dat in de keelkazematten was opgesteld was al in 1916 en 1935 elders geplaatst en ook daar al niet meer in gebruik. Alle 6 cm Hefkoepel kanonnen waren, met patronen, in ieder geval in 1932 nog in de forten aanwezig. Uit foto's blijkt dat er in zomer 1940 in een aantal forten, en mogelijk alle forten, nog hefkoepelgeschut aanwezig was. Op 9 mei 1940 waren in de omgeving van Amsterdam vooral depot- en bewakingstroepen aanwezig, met uitzondering van het 1e Luchtvaartregiment op het Vliegkamp Schiphol en meerdere eenheden Luchtdoelartillerie.
|
| Het noordfront van de Vesting Holland. De aangegeven inundaties zijn gesteld wanneer het noordfront op 14 mei 1940 met zwakke troepen bezet wordt. (Bron: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Deel 3, afb. XXXVI) |
|
| De terugtocht van het veldleger, 13-14 mei 1940. (Bron: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Deel 3, afb. XXXIV) |
Begin 1940 bestonden er nog plannen om de koningin en het kabinet in een aantal forten onder te brengen tijdens de gevechtshandelingen na een Duitse inval, die mogelijk drie maanden zouden duren. In werkelijkheid moesten zij al enkele dagen na de inval evacueren naar Engeland en vormden een regering in ballingschap. Op 15 mei capituleerde het Nederlandse leger aan de Deutsche Wehrmacht.
Wel werd vanaf 11 mei het Buiten-IJ ten oosten van Amsterdam, en wellicht de gehele IJsselmeerkust, bewaakt tegen een mogelijke overtocht van Duitse eenheden over het IJsselmeer (zie Het Buiten-IJ en Durgerdam in Mei 1940). Om dezelfde reden werden vanaf 12 mei de inundaties ten noorden van het Noordzeekanaal gesteld om dit Noordfront van de Vesting Holland te verdedigen. Er waren geen eenheden in de forten gelegerd maar er waren wel plannen om troepen langs de Noordzeekust terug te laten trekken achter de inundaties en in de forten.
Aan de Westeinderplassen was een steunpunt van watervliegtuigen van de Marineluchtvaartdienst gevestigd. Dit Marinesteunpunt Kudelstaart was de Duitsers onbekend evenals die bij Akersloot en op het Braassemermeer. Op 14 mei zijn alle watervliegtuigen van deze en andere steunpunten via Frankrijk naar Engeland geëvacueerd.
Ondertussen veroorzaakte de Grebbelinie een redelijke vertraging van de Duitse troepen. Dat was de oorspronkelijke functie van de Grebbelinie maar in februari 1940 was het verkozen boven de Nieuwe Hollandse Waterlinie als de hoofdverdediging. Het probleem was dat door de lage waterstand in de rivieren het terrein tussen Wageningen en Rhenen niet geïnundeerd kon worden. Er was een bomvrij gemaal in aanbouw, maar daarvan was bij het uitbreken van de oorlog alleen de fundering gereed.
De vele Duitse pogingen om de Grebbelinie te doorbreken tonen wel aan welk een effect een kleine legermacht in voorbereide versterkingen kan hebben.
Nadat het Zuidfront van de Vesting Holland bij Dordrecht was doorbroken, werden de Nederlandse troepen teruggetrokken op de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Maar de "blitzkrieg" en het vliegtuig met parachutisten waren het Nederlandse leger en zijn forten te snel af. En bovendien was de Duitse dreiging om steden te bombarderen, in combinatie met de geringe luchtafweer, ook van grote invloed op de beslissing om te capituleren.
De capitulatie kwam in ieder geval voor een aantal Duitse bevelhebbers als een verrassing hoewel ze erom gevraagd hadden. Sommigen vermoedden dat de capitulatie afgewezen zou worden en dat er nog een zware klus voor ze klaar lag in de vorm van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het bevel voor de aanval daarop en het doorstoten via Gouda naar Amsterdam, gepland op 15 mei, eindigde met: "Al is de strijd ook hard, aan ons is de overwinning!". Maar de waterstand in de rivieren was laag en de inundaties waren eigenlijk te laat gesteld. Er kwam te weinig water op de velden. Dat gold ook voor de inundaties in het zuidoosten van de Stelling die tevens onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie waren.
|
| Een kazemat op de Grebbeberg bij Rhenen. (Foto: © René Ros, 2007) |
De commandant van de Positie van IJmuiden had zijn commandopost in het Fort bij IJmuiden, maar zijn belangrijkste taak was het versperren van de haven door een schip tussen de pieren tot zinken te laten brengen.
De Artillerie-Inrichtingen bij Hembrug werden niet vernietigd, zoals de meeste andere oorlogsmiddelen na de capitulatie. De geallieerden zouden bij herovering meer hebben aan een intacte inrichting. De capaciteit van de fabriek was van weinig voordeel voor de Duitsers maar wellicht wilde men de Duitsers niet bozer maken!
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden de meeste forten door de Duitsers gebruikt, meestal als magazijn of kazerne. Soms voor het opstellen van een luisterpost of geschut, met name in het deel van de Stelling dat tot de landverdediging van de Atlantikwall ging behoren. Dit Neue Landfront omvatte, wat betreft de Stelling, het deel van Fort bij Veldhuis tot en met Fort bij Vijfhuizen.
Veel metaal werd uit de forten verwijderd voor hergebruik door de Duitsers. In opdracht van de Beauftragte für Altmetall und Schrotterfassung werden de hefkoepels met explosieven gesloopt en de vrijkomende staaldelen verschroot.
Fort aan het Pampus was al buiten gebruik gesteld en de Duitsers gebruikten het forteiland voor oefenbombardementen met vliegtuigen. Het hout is tijdens de Hongerwinter verdwenen, zodat de bevolking van Muiden de huizen warm kon houden.
Aan het eind van de oorlog gebruikten de Duitsers de typische Hollandse verdediging tegen onze bevrijders. In het voorjaar van 1945 werden het zuidelijk deel van de Stelling ingericht als verdedigingslinie. Daarnaast werden wilde inundaties voorbereidt door dijken, zoals de Zeedijk, van explosieven te voorzien en werden diverse polders op amateuristische wijze onder water gezet. Dat blijkt onder andere uit een verslag van Ir. F.C.P.W. Meijlink van Provinciale Waterstaat in Noordholland dat hij op 19 mei 1945 over polders in de Vechtstreek opstelde:
Naast een paar geïnundeerde Brabantse polders waren twee grote inundatielinies door de Duitsers, met gedwongen medewerking van met name Provinciale Waterstaat-medewerkers, opgezet. Namens de Duitse bezetter waren in Noord-Holland Oberleutnant Hölling, Oberbaurat Kiel en Major Dielinger in contact met de provinciale waterstaat en indirect met Rijkswaterstaat.
Het doel van de twee waterlinies was om een eventuele succesvolle landing op de kust van de geallieerden tot staan te brengen. De Erste Wasserstellung of Vordere Wasserstellung (Eerste- of Voorste Waterlinie) liep van Edam in westelijke richting naar Uitgeest (noordelijk deel van de Stelling) om vanaf daar in zuidelijke richting langs Haarlem (westelijk deel van de Stelling) en sloot aan op de verdediging rond Amsterdam. De Vordere Wasserstellung liep door via Leiden, Rotterdam (aansluitend op een linie ten noorden van Rotterdam naar het Westland), Dordrecht, Roosendaal naar Bergen op Zoom.
De Haarlemmermeerpolder werd niet van een extra dijk voorzien en bleef droog, maar de ringdijk werd op vier plaatsen van explosieven voorzien. Er waren slechts enkele versterkte onderkomens in de linie aangelegd die vooral uit anti-tankgrachten, veldversterkingen en mitrailleurposten bestond. Bij Badhoevedorp lagen twee lichte bunkers bij twee bruggen over de Spaarnwoudertocht en Vijfhuizertocht in de Sloterweg.
De tweede linie, de Hintere Wasserstellung (Achterste Waterlinie) liep van Weesp naar het zuiden (oostelijk deel van de Stelling), ten westen van Utrecht, naar Gorinchem. Daarmee volgden de Duitsers grotendeels het traject van de Oude Hollandse Waterlinie.
En waarschijnlijk waren de zware kustverdediging en de genoemde inundaties de belangrijkste redenen voor de geallieerden om niet op de Nederlandse kust te landen. De kracht van de Vesting Holland en zijn inundaties was de oorzaak dat West Nederland laat in de landoorlog betrokken werd.
In de provincie Noord-Holland was in het voorjaar van 1944 een gebied van 10.600 hectare met zoet water geïnundeerd, het voorjaar van 1945 was dat 36.740 hectare. Het was dus uiteindelijk de Duitse bezetter die het grootste deel van de inundaties van de Stelling hebben gesteld...
De gehele Koude Oorlog kenmerkte zich door het vrijwel geheel ontbreken van vijandelijkheden, zeker ook in de Stelling.
De meeste forten werden door het leger gebruikt als magazijncomplexen voor de opslag van munitie en explosieven. In de forten in het zuidwesten van de Stelling werden veel explosieven en landmijnen opgeslagen om Schiphol en de havens van IJmuiden en Amsterdam te kunnen afsluiten of onbruikbaar te maken. Voor de werkzaamheden in de forten werden vooral werktroepen van het Kamp Rooswijk ingezet. De bewaking van objecten zonder fortwachters, werd door patrouilles van 420e Infanterie Bewakings Compagnie "Van Heutsz" verzorgd (zie Sergeant Wools).
Ook werden enkele forten gebruikt voor de opslag van noodvoorraden voedsel (Fort bij Spijkerboor) en verbandmiddelen (Fort bij Abcoude) in het kader van de Wet Bescherming Bevolking. Op Fort bij Edam en Fort bij Spijkerboor werden in 1951 twee kokerschietbanen voor de Nationale Reserve gebouwd. In een aantal forten of aparte magazijnen waren voertuigen en materiaal opgeslagen voor mobilisabele ziekenautocompagnieën.
|
| De commando-bunker van de Bescherming Bevolking bij Westzaan. (Foto: © René Ros, 2002) |
Voor het Korps Luchtwacht Dienst zijn, ook in de Stelling, tussen 1951 en 1955 diverse luchtwachtposten op bestaande gebouwen ingericht of op speciaal daarvoor gebouwde prefab betonnen torens.
Van de commando-bunkers voor de Bescherming Bevolking die gebouwd zijn binnen de Stelling, zijn de meeste nog aanwezig. Tevens waren er nog diverse bunkers voor de Civiele Verdediging, Kunstopslag en als onderdeel van het noodtelefoonnet.
Binnen de gemeente Amsterdam werden vele openbare schuilplaatsen gebouwd, meestal in combinatie met nieuwbouw van bruggen, tunnels en gebouwen.
Daarnaast zijn nog enkele waterstaatkundige voorzieningen getroffen in het kader van de Wet Bescherming Waterstaatwerken in Oorlogstijd, zoals de BWO-keringen. Tevens was er rond 1980 een plan om rond Amsterdam geleide wapens als luchtafweer te plaatsen.
Het zal de lezer niet verbazen dat permanente forten niet meer voldeden tijdens een moderne mobiele oorlog. Sinds 1922 bestond de Stelling organisatorisch niet meer. Na de Tweede Wereldoorlog verviel de defensieve waarde formeel en werden ze alleen nog als magazijn gebruikt en later stootte het Ministerie van Defensie de onderdelen af; zie hoofdstuk Civiel gebruik.
